Onderzoeksjournalist Pieter Klein, foto: Duco de Vries

De Wob (Wet openbaarheid van bestuur) is een van de gereedschappen die onderzoeksjournalisten ter beschikking staan. In deze serie interviews vertellen mensen over de dagelijkse Wob-praktijk.

Geschreven door Sjors van Beek

De Wob mag dan een gemankeerd werktuig zijn, tóch hoort het thuis in de gereedschapskist van elke journalist. Omdat het, ondanks alles, vaak genoeg iets oplevert. En: omdat het gebruik ervan een journalist beter maakt.

Is getekend: Pieter Klein (56), gelauwerd RTL-journalist, mede-onthuller van het Toeslagenschandaal, winnaar van de Tegel voor onderzoek in 2020. ,,Wobben leert je de politiek, het bestuur en het proces van de macht begrijpen. Het leert je beter te analyseren en complexe dossiers beter te doorgronden. Je weet beter wat je moet zoeken en waar je het moet zoeken. Het leert je betere journalistieke vragen te stellen. Wat is hier gaande en waarom, en welke documenten moet ik opvragen? Kortom: je wordt er gewoon een betere journalist van.”

Ook op andere manieren bewijst de Wob alleszins zijn nut, vindt de voormalig adjunct-hoofdredacteur van RTL Nieuws. “Neem alleen al de inventarislijsten die je krijgt bij een Wob-besluit. Een goudmijn! Want je ziet wat er achter de schermen allemaal gebeurt. Paniek, gedoe, die d’r bij, die d’r bij. De onderlinge afstemming, alles!” Of neem de Wob als witwasmiddel voor informatie die bronnen niet on the record kunnen delen. En natuurlijk worstelt ook Klein wel eens met ”de juridisering, het steeds maar blijven trekken aan een dood paard” of de zoveelste gang naar de rechter in een dossier dat al lang niet meer actueel is. Maar toch.

Inspecties

Hij neemt de tijd om zijn filosofie uitgebreid te illustreren. Zo noemt hij de affaire rond de Stint, het voertuig waarmee in 2018 vier kinderen verongelukten op een spoorwegovergang in Oss. Graven in die kwestie, mede via de Wob, gaf inzicht in hoe complex de samenleving in elkaar steekt, betoogt Klein. ”Niet alle journalisten weten hoe alle inspecties in elkaar zitten, wat de formele rollen en bevoegdheden zijn, hoe het zit met toezicht, waarom er eigenlijk helemaal geen toezicht wás op die bijzondere bromfiets.”

En ja, deels dient een journalist die maatschappelijke structuren eerst te kennen om echt goed te kunnen wobben. “Soms zijn journalisten ongeduldig en denken: de ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport) gaat er over, doen we daar een Wobje en klaar. Maar er zijn meer loketten, de NVWA (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit), het ministerie van Verkeer en Waterstaat. En het is juist interessanter om te snappen hoe al die spelers zich tot elkaar verhouden. Dan kom je ook op andere sporen. De wetgeving, het toezicht en het gat daarin, Europese richtlijnen, vijf betrokken inspecties. Het is heel nuttig om je daar als journalist in te verdiepen.” Gebruik van de Wob kan daar dus bij helpen, aldus Klein. Al doende daarbij fouten maken is helemaal geen ramp. “Want je wordt een betere wobber als je vaker je neus hebt gestoten.”

Lezen

Wobben is vaak precisiewerk, tijdrovend maar leerzaam, weet de RTL-journalist. “Je hebt het druk met je dossiers, je krijgt een primaire beslissing of een beslissing op bezwaar. Je leest het, en je denkt: mwah, er zit niet zoveel in. Maar het loont om altijd héél goed te lezen. Zelfs een afwijzing moet je soms woord voor woord lezen, wat staat hier nou eigenlijk? Wat bedoelen ze met ‘niet aangetroffen’, ‘buiten bereik van de Wob’ of ‘geen bestuurlijke aangelegenheid’? Woorden hebben betekenis. En journalisten zouden dat als geen ander moeten weten. Als je een vaag antwoord krijgt waar slimme juristen en slimme ambtenaren op hebben zitten broeden, juist dán moeten alle alarmbellen afgaan.”

Keihard liegen zal een overheid in een Wob-procedure niet snel doen, schat Klein in. Maar listig formuleren wél. “In de kwestie ‘Positie Omtzigt: functie elders’ was de eerste publieke verklaring van Bureau Woordvoering Kabinetsformatie: het is geen directe weergave van wat er is besproken. Dat is iets heel anders dan wat de verkenners later zeiden. Ik ben ervan overtuigd dat de ambtenaren die die eerste formulering opschreven, niet wilden liegen en daarom die woorden kozen.”

Beleidsopvattingen

Ook inhoudelijk is telkens de vraag: kloppen de aangevoerde weigeringsgronden eigenlijk wel? “En als het zogenaamd allemaal persoonlijke beleidsopvattingen zijn, staan er dan nergens feiten in die wél openbaar moeten? Onderzoeksjournalisten die al in een dossier zitten, kennen de details en weten meestal wel waar ze op moeten letten, maar mensen die net beginnen zullen toch een paar keer die neus stoten.”

Struikelpunten genoeg voor de Wobber. Aantonen bijvoorbeeld dat een bepaald document wel degelijk bestaat. ,”Héél lastig. Het is buitengewoon ingewikkeld en lukt dus ook niet altijd’, erkent Klein. Hij slaat een zijpaadje in: “Soms blijkt uit een afwijzing dat documenten elders liggen, bijvoorbeeld in het archief van een commissie. Alleen dat feit op zich is soms al nieuwswaardig, als ze documenten proberen af te schermen door trucjes. Maar dan kom je op een volgend dilemma: moet je je lezers vermoeien met je gevecht als journalist?” Tussentijds publiceren kan helpen omdat het de (politieke) druk verhoogt, weet Klein. “Maar bij RTL is het altijd wel een punt van discussie, zoiets alvast publiceren, of gewoon andere wegen zoeken om de informatie tóch boven water te krijgen?”

‘Massieve’ Wob

En een volgend punt: hoe breed maak je je Wob-verzoek? In de Toeslagenaffaire greep Klein – uiteindelijk – naar het zware middel van de ‘massieve’ Wob. “We wisten al in een vroeg stadium dat er veel meer mis was dan alleen een klein groepje ouders. Dat er veel meer fraudezaken waren ontspoord en dat er ook met de wetgeving het nodige mis was. Nadat we al diverse malen hadden gepubliceerd hebben we medio 2019 alles opgevraagd, alle weekberichten, alle rapportages, alles van de ambtelijke en politieke leiding, alles in dat tijdvak. Bij het opstellen hebben Jan Klein Nijenhuis van Trouw en ik toen lang nagedacht: wat zijn de loketten, wat zijn de paper trails, de rapportagelijnen? Wie is de opdrachtgever, wie de uitvoerder, wat ging er naar de ambtelijke top, wat naar de politieke top?”

Hoe breed dat Wob-verzoek ook was, terugkijkend was het toch nog niet breed genoeg, weet Klein nu. “Vanuit een soort redelijkheid dachten we, OK, we doen alleen het over het tijdvak van de fraudejacht en alleen over wat staatssecretaris Menno Snel aangaat. Achteraf gezien hadden we óók alles moeten doen wat naar de directeur-generaal van de Belastingdienst was gegaan, en misschien nog wel het niveau daaronder.” Dan was het explosieve ‘memo Palmen’ uit 2017, waarin de top van de Belastingdienst al erkende dat er ‘laakbaar’ werd gehandeld, veel eerder boven water gekomen, beseft Klein nu. “Het is ingewikkeld. De overheid klaagt vaak over journalisten die massale Wob-verzoeken indienen, maar als je jezelf inperkt kun je in eigen voet schieten. Je denkt: ik wil het redelijk en overzichtelijk houden, ook voor de andere kant. Maar dan maak je het soms weer te klein en komt iets misschien niet boven tafel.”

‘Klassieke fout’

Als de gevraagde documenten eenmaal binnen zijn, moet je ze ook nog doorgronden. “En zeker bij grotere pakketten zit daar een soort spanningsveld op. Je moet jezelf wel trainen in het relevante uit grote stapels papier pikken. Niet iedereen vindt dat leuk, niet iedereen veert enthousiast op als er een doos met stukken binnenkomt.” Hij noemt het de ‘klassieke fout’: te weinig tijd nemen om het verkregen materiaal grondig te bestuderen. “Het gebeurt mij soms ook, te druk, te veel aan mijn kop. Maar toch, onderzoek is een kerntaak van de journalistiek. Daar móet je ruimte voor maken op redacties en de Wob is daar wat mij betreft onmisbaar in.”

Klein: ”Ik ben het meest bezorgd over het gevoel bij journalisten van ‘laat maar’. Ik zou zeggen: zoek een ouwe rot op, zoek steun. Hoe frustrerend het soms ook is: juist dáárom doorgaan. We hebben het nu allemaal over die nieuwe politieke cultuur van transparantie. Wíj, journalisten, zijn ervoor om dat af te dwingen! Mijn advies is echt: zoek bondgenoten, in je eigen organisatie of daarbuiten, of bij de VVOJ, schakel een advocaat of een goede adviseur in. Maar het allerliefst: trek samen op met een collega want twee weten meer dan één. Als je zelf helemaal ontmoedigd naar die berg documenten zit te kijken, trekt dat je er doorheen. Je hoeft het dan niet helemáál uit jezelf te halen.”

In algemene zin is het er de laatste jaren niet beter op geworden, constateert Klein. Ambtenaren, op zich van goede wil, die meegezogen worden in een cultuur van zaken maar niet notuleren, of verstoppen in concept-documenten die nooit definitief worden gemaakt. Of het inzetten van zoveel mogelijk weigergronden. “Uiteindelijk mag de overheid niet liegen. Men kan slimmigheidjes verzinnen, iets een non-paper noemen of zo, maar uiteindelijk zijn ze toch bang dat een rechter er aan het einde van de rit doorheen prikt.”

Jurisprudentie

Al is hij niet echt te spreken over de rol van menig rechter aan het sluitstuk van een Wob-procedure. Hij spreekt van ‘aanscherping van jurisprudentie de verkeerde kant op’. Klein: “Er is een overleg tussen ministeries over de Wob, en daar houden ze de jurisprudentie heel goed in de gaten. Ieder Wob-vonnis waar een pas wordt afgesneden, zul jij terugvinden in je volgende afwijzing. Neem die verwevenheid van persoonlijke beleidsopvattingen met de feiten, waardoor er helemaal niks kan worden vrijgegeven. Dat is bestendigd door de Raad van State, heel kwalijk. Ik heb bepaald niet het gevoel dat het ruimer is geworden de afgelopen jaren. Als wordt gezegd dat een document niet bestaat, kan een rechter ook doorvragen: heeft u hier en daar gekeken? Maar rechters verlaten zich heel snel op het oordeel van de overheid. Ze toetsen té marginaal, tot en met de Raad van State is er een wat gouvernementele instelling. Precies wat er ook speelde in de Toeslagenaffaire. Men ging blindelings uit van het woord van de Belastingdienst en dan sta je als burger al met 1-0 achter.”

Hij haalt recente uitspraken aan van Bart Jan Van Ettekoven, voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op de vraag of de Belastingdienst te vaak het voordeel van de twijfel had gekregen antwoordde deze: “Zo werkt het bestuursrecht in algemene zin. Dat gaat ervan uit dat overheidsinstanties rechtmatig te werk gaan en de wet uitvoeren. De rechter gaat niet uit van het falen van het hele systeem.” Hetzelfde mechanisme speelt rond de Wob, signaleert Klein.

Met de wettekst van de Wob is niet zo veel mis, vindt hij. “De oorspronkelijk wet, en de bedoeling van de wetgever, was prima: ‘openbaar, tenzij’. Maar in de jurisprudentie is de wet kapotgemaakt en de overheid heeft dat uiteindelijk toegestaan.”

Openheid

Hij ziet echter een ‘kleine kentering’. “Recent wees de Raad van State in een Wob-uitspraak over de vuurwerkramp op de mogelijkheid van het vrijgeven van persoonlijke beleidsopvattingen. “Nou… wanneer hebben we dát voor het laatst gezien? Rechters lezen ook de krant, die volgen ook de politieke discussie”.

Nederland staat te boek als een open, transparant land, stelt Klein: “Maar ik heb er toch een heel gemengd beeld over. Enerzijds een cultuur van openheid, van politieke en bestuurlijke verantwoording, inspecties, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman. In de Tweede Kamer wordt ook heel veel openbaar gemaakt. Maar anderzijds: als het ingewikkeld wordt, tóch afdekken. Ook weer zoals in de Toeslagenaffaire: sturing op de gewenste politieke en juridische uitkomst. Dat klinkt technisch, maar het komt neer op manipuleren met de waarheid. Precies wat we kunnen missen als kiespijn.”

Alles overziend vindt Klein dat wobben moet worden gesteund door chefs en hoofdredacties. “Zorg dat het intern op redacties geagendeerd is. Help jongere collega’s om door de bomen het bos te zien. Zoek in je organisatie mensen die niet bang zijn van de Wob en van een stapel stukken. Zorg voor enthousiasme en een paar leuke successen. Die komen vaak pas na één, twee mislukkingen. Accepteer die, leer ervan. Zorg dat de volgende Wob beter wordt en je hebt een goed verhaal.”